Gedichten lezen en schrijven met kinderen

Zomaar
Dat zo´n mooi meisje
tegenover mij in de trein
zoÕn fotomodellig meisje
met van die fonkelende ogen
met van dat engelenhaar
en zo´n perzikhuidje
met van die kuiltjes in haar wang
en een lieve glimlach
van hier tot waar ik moet zijn
dat zo´n mooi meisje
zomaar ineens
in haar neus begint te peuteren.
(En het nog opeet ook.)
1
Lees samen met de kinderen het gedicht. Waarom moet je erom lachen? Wat is er leuk of bijzonder aan? Het onverwachte eind, regels als een lieve glimlach
van hier tot waar ik moet zijn, de herhaling dat zo´n mooi meisje, woorden als fotomodellig en perzikhuidje.
2
Vraag de kinderen om iemand te kiezen die ze goed kennen en die ze lief of aardig vinden. Op een kladblaadje schrijven ze op wie het is: hun vader, moeder, juf, meester, vriend, vriendin, broer, zus, oom of tante.
3
De kinderen schrijven (ant)woorden bij hun persoon op de volgende vragen. Geef steeds even tijd om na te denken en stel dan de volgende vraag.
- Hoe mooi/lief/sterk ziet jouw persoon eruit? De kinderen schrijven losse woorden op over ogen, wangen, haar, armen, benen, kleren, enzovoort.
- Wat is bijzonder leuk aan jouw persoon? Losse woorden over hun gedrag, manier van praten en doen, hoe ze lachen, je helpen, enzovoort.
- De kinderen schrijven drie dingen op die ze heel goed vinden van hun persoon.
- De kinderen schrijven iets heel geks op over hun persoon, iets vreemds of grappigs wat hun persoon ooit heeft gedaan: een wonderlijk kledingstuk, een gekke uitspraak, een onverwachte kant.
4
Vraag de kinderen om hun verzamelde woorden te gebruiken om een gedicht te maken over hun persoon, geïnspireerd op het gedicht van Erik van Os. De eerste regel luidt: 'Dat zo´n..'. In het vervolg van het gedicht beschrijven ze hun persoon. Rijmen is verboden. Overdrijven mag/moet. Een gedicht is groter dan de waarheid. Het is mooi als er in het gedicht een verloop zit van gewoon naar steeds meer bijzonder. De slotregels moeten natuurlijk verrassend zijn.
5
De kinderen geven hun gedicht de titel: 'Voor mijn..'. Het gedicht kan later gegeven worden aan de desbetreffende persoon.
Voor mijn vader
Dat zo´n sterke vader
met een stoer hoofd met snor
met een lach die buldert door het huis
met handen die kunnen boksen en vangen
met voeten die kunnen schoppen en rennen
met spierballen zo groot als tennisballen
dat zo´n sterke vader
laatst moest huilen om een film
(en toen deed alsof ie het niet deed)
dat vind ik, ja hoe zal ik het zeggen,
eigenlijk toch ook wel stoer.
Reinier, groep 8
Alternatief: Eerst op bovenstaande manier met alle kinderen samen een gedicht maken op het bord. De persoon over wie het gedicht gaat is de leerkracht.
Varianten: Een soortgelijk gedicht schrijven over iemand die je niet zo aardig vindt maar die aan het eind er toch verrassend positief uitkomt.
Een soortgelijk gedicht schrijven over een (huis)dier of over een geliefd voorwerp