Gedichten lezen en schrijven met kinderen

In je hoofd
In je hoofd
kun je alles.
Fietsen naar de maan,
boven op de wolken staan.
Strelen met je handen los,
lopen door een donker bos.
Vechten als een tijger,
dansen met een elf.
Afscheid nemen
zonder tranen,
alles gaat vanzelf.
1
Lees het gedicht van Theo Olthuis voor en praat er samen over. Vraag de kinderen waar het gedicht over gaat. Lees het nog eens voor. Wat betekenen de eerste regels: In je hoofd / kun je alles? In de volgende regels worden allerlei onmogelijke of bijna onmogelijke wensen genoemd, dingen die de kinderen misschien ook zouden willen. Vragen die aan de orde kunnen komen: Hoeveel wensen staan er in het gedicht? Welke wens is ook een wens van jou? Over welke wens heb jij nog nooit nagedacht? Wat is: Strelen met je handen los? En hoe komt het dat sommige wensen in je hoofd vanzelf uitkomen? Gaat dat in alle hoofden van kinderen zo? En in hoofden van grote mensen?
Bespreek ook de lengte van de regels. Uit hoeveel woorden bestaat de kortste regel van het gedicht? En de langste?
2
De kinderen kiezen een wensregel uit het gedicht die ze zelf ook graag zouden willen meemaken. Bijvoorbeeld: Fietsen naar de maan. Dat is de titel van hun gedicht in wording.
3
Hun eerste regel begint met Ik. De titel wordt omgebouwd in een mededeling dat de wens is uitgekomen. Dus: Ik fiets naar de maan.
4
In hun tweede regel schrijven de kinderen heel kort iets op over een belangrijk woord uit regel 1. Wat kun je kort vertellen over de fiets bijvoorbeeld? Of over de maan? Het is mooi als het desbetreffende woord uit regel 1 in 2 weer wordt genoemd. Zeg aan kinderen die het moeilijk vinden dat er in regel 2 een kleur moet voorkomen. Zo’n beperking kan juist ruimte geven.
5
In de derde regel staat kort een vervolg: wat gebeurt er verder? Of hoe gebeurt dat? Zeg aan kinderen die het moeilijk vinden dat er in regel 3 een geluid moet voorkomen.
6
De vierde regel is een herhaling van regel 1.
7
De kinderen sluiten hun gedicht af met één of twee verrassende regels. Die mogen rijmen, maar dat hoeft niet.
Fietsen naar de maan
Ik fiets naar de maan
De maan is vol
Mijn fiets gaat snel
Ik fiets naar de maan
Gele maan
Ik kom eraan!
Minke, groep 5
Lopen door een donker bos
Ik loop door een donker bos
Een donker bos in de zwarte nacht
De witte bomen kreunen als spoken
Ik loop door een donker bos
Ik ben niet bang
Ik zing een lied
Mij krijgen ze niet
Daan, groep 6
Vechten als een tijger
Ik vecht als een tijger
Een zwarte tijger met gele ogen
De tijger schreeuwt
Ik vecht als een tijger
Met een woeste kop
Ik vreet je op.
Abdel, groep 6
De instructies per regel zijn bedoeld om de kinderen op weg te helpen. Als zij andere ideeën hebben, laat ze die dan uitwerken. Belangrijk is, om net als Theo Olthuis, korte regels te maken. Een regel van één of twee woorden kan heel krachtig zijn. Welke woorden in het kladgedicht kunnen worden gemist, dus doorgestreept?
8
Op een soortgelijke manier kunnen kinderen gedichten schrijven over eigen wensen die niet in het gedicht staan. Ze maken dan eerst een rijtje fantastische eigen wensen (Onzichtbaar zijn als het je uitkomt. In een circus werken. Wonen in een gezin met veel kinderen.) Uit die voorraad kiezen ze een wens. Regel voor regel schrijven ze er een gedicht over. Dat doen ze volgens eigen inzicht. Het gedicht mag langer zijn dan zes regels. Hier en daar mag het rijmen, als het maar spannend rijm is.
In een circus werken
Ik werk in een circus
In een wit jurkje
Dans ik op een bruin paard
Mijn paard heet Bella
Ik dans op haar rug
Mijn paard draait rondjes
De mensen klappen
Ik draai en buig en dans
Ik werk in een circus
Ik heet Mariejella
Mijn paard heet Bella
Lieke, groep 7