Gedichten lezen en schrijven met kinderen

Groen
In de lente, ieder jaar,
spat de kleur groen
uit elkaar
in veertig kleuren groen.
kijk maar:
lichtgroen
donkergroen
dofgroen
flonkergroen
poepgroen
snoepgroen
krijt op de stoepgroen
mosgroen
bronsgroen
kikkertje plonsgroen
standgroen
zinkgroen
snot aan je pinkgroen
rijtuiggroen
grachtengroen
niet langer wachtengroen
appelgroen
olijfgroen
zeeziek is mijn lijfgroen
ditgroen
datgroen
kroos op de katgroen
slagroen
komkommergroen
stomgroen
nog stommergroen
hekgroen
gekgroen
andijvie met spekgroen
dank u welgroen
alstublieftgroen
ik ben voor het eerst verliefdgroen
blauwgroen
grijsgroen
vinkiegroen
sijsgroen
bakken tjaptjoigroen
liters hiep hoigroen
oud monumentengroen
leve de lentegroen.
In de zomer,
niets aan te doen,
zijn alle kleuren
groen
weer groen.
1
Lees met elkaar het gedicht. Wie kan het heel snel hardop lezen? Wie sommige stukjes heel vlug en ander weer heel langzaam? Wie kan het lezen als een rap? Wie kan het voorlezen als een muziekstuk? Laat het gedicht klinken met twee stemmen, met drie stemmen, met veel stemmen door of achter elkaar.
2
Vraag de kinderen om de mooiste kleur groen uit het gedicht te kiezen en praat er samen over. Idem met de lelijkste kleur groen. De vreemdste. De saaiste.
3
Noem woorden en vraag de kinderen er een kleur bij te associëren en die op te schrijven. Welke kleur hoort bij de volgende woorden: stad, vrijdag, fiets, moeder, school, rennen, verjaardag, hoofdletter A, uitroepteken, 22, vader, kussen, hoo, fluisteren? Daarna schrijven de kinderen achter elke kleur een verfijning van die kleur. Dat woord kan een bestaand woord zijn of een nieuw woord. Bijvoorbeeld:
stad – blauw – waterblauw
moeder – rood – lippenstiftrood
verjaardag – oranje – vlaggetjesoranje
4
Doe deze oefening opnieuw met een ander woordenlijstje. Bijvoorbeeld: eiland, snurken, punt, V&D, nou, dierentuin, kleine letter f, zondag, opa, vechten, juf, bang, kring, 1000, vrede, knikkebollen, goeiemorgen.
5
De kinderen kiezen drie woorden en bijbehorende kleuren uit en schrijven daar een kleurzin over op. Bijvoorbeeld:
Mijn moeder zoent rood, lippenstiftrood.
Goeiemorgen klinkt geel als zonlichtgeel
De kleine letter f maakt een blauw geluid, een lichtblauw geluidje.
6
De kinderen kiezen één van hun drie kleurzinnen uit. Ze verknippen die tot twee of drie regels. Dat is het begin van hun gedicht. Ze gaan door op het beeld dat die regels oproepen. Wat zie, hoor, denk, ruik, voel je er nog meer bij? De kinderen houden hun regels kort. Er mag niet gerijmd worden aan het eind van de regel. Rijm dat zich goed verstopt, mag wel. Het gaat niet om een verhaaltje met doorlopende zinnen, maar om een kort gedicht waarin een kleur de hoofdrol speelt. Het mag hier en daar vreemd zijn; niet alles hoef je te begrijpen.
Moederspuug
Mijn moeder zoent rood,
lippenstiftrood.
Op mijn wang komt een rood vlekje
een lippenstiftrood vlekje.
Dat mag niet van mijn moeder
dus ze poetst het er weer af.
Met een beetje spuug.
Bram, groep 6
Geel
Goeiemorgen
klinkt geel
als zonlichtgeel
als knuffelgeel
als dekbedgeel
als theegeel
als eigeel
als ontbijtgeel
als heelveelgeel
Goeiemorgen!
Tisca, groep 5
f
De kleine letter f
maakt een blauw geluid
ffffffffff, hoor je het?
een lichtblauw geluidje
het is weg voordat je het weet
zo licht zo blauw
zo lichtblauw
als een kleine letter f.
Ruben, groep 5
Veel kinderen vinden het leuk om vaker zo’n kleurassociatie te doen. Haal daarvoor woorden (zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, stopwoordjes, namen, cijfers, letters en begrippen) uit taalboeken, dichtbundels, kranten en reclamefolders.