Daar stond ik
En daar stond ik.
Ik keek om me heen en sprak: “I made it.”
Ik was genoeg. Ik was goed genoeg. Nou dat zou je denken.
In de verte hoorde ik een stem die echode door de open oneindigheid die zei:
‘Wie ben jij?”
Met een grote glimlach op mijn gezicht zei ik:
“Keeyela, Keeyela Jozefzoon, uw dienaar.”
Maar de stem herhaalde zich:
“Wie ben jij?”
“Hm…Keeyela, Keeyela Jozefzoon, uw kind. U kent mij… U kent mij toch?” zei ik, terwijl
de grote lach van mijn gezicht afgleed.
“U…u weet niet wie ik ben?”
Mijn stem brak.
Stilte.
Er gleed een traan, zo zwart als kool, van mijn wang en raakte de grond, samen met mijn knieën.
“Nee… nee… néé…”
Ik stond op.
“Een droom,” zei ik, zwetend.
Benen zo zwaar als baksteen.
Met hoofdpijn keek ik omhoog en zei, met een stem zo buiten adem: ”God… ik ben Keeyela, Keeyela Jozefzoon.”